Frustratie als bron voor geluk



Ineke Verkuijl, Zen.nl Breda. Op een warme maandagochtend in september maakte ik een fietstocht samen met mijn buurvrouw Daniëlle. We genoten heerlijk van de landelijke paadjes, het weelderige groen en de strakblauwe lucht. Wat ging dit toch lekker. Daniëlle fietste voor me, want het fietspad was te smal voor ons tweeën. “Rechtdoor of rechtsaf?”, vroeg Daniëlle. “Rechtdoor!” riep ik. Onnadenkend keek ik naar het pad rechtsaf, waar ik de week ervoor nog had hardgelopen. Even was er dat kleine moment van niet-aandachtig zijn. En toen ineens was daar een enorme knal. Een schrille, harde angstkreet ontsteeg uit mijn keel, en een felle, allesomvattende pijn trok door mijn enkel en scheenbeen. ‘Dit is goed fout’, dacht ik. Ik zag iets rechtop staan op het pad en mijn brein vertaalde tergend langzaam dat ik tegen een paaltje was gereden. De botsing had me met fiets en al gelanceerd en ik was een paar meter verderop in het hoge gras beland. De landing was gelukkig zacht en ik bevrijdde me van mijn fiets. Strompelend liep ik een paar passen terug naar het pad en zeeg ineen.

Daniëlle kwam direct naar me toe en knielde naast me neer. Het eerste wat ik deed in die alles verscheurende pijn en verwarring, was me richten op mijn uitademing. Zou ik vroeger heel hard zijn gaan schreeuwen en huilen; nu richtte ik mij op mijn uitademing en merkte ik op hoe deze langzaam rustiger werd, ondanks de pijn die zich aan me opdrong. Mijn brein begon weer enigszins normaal te werken. Ik realiseerde me dat ik ijs nodig had. Maar dat was in geen velden of wegen te bekennen. Het koude water dat in onze bidons zat, volstond even. Ondertussen bekeek Daniëlle mijn fiets op schade. Een golf van machteloos verdriet werkte zich in mijn bewustzijn omhoog. En weer was ik mij bewust van mijn ademhaling. Alsof ik op mijn kussen zat, zo ademde ik. Nu ademde ik de pijn van het verdriet uit. Ik voelde de lucht langs mijn neusvleugels naar binnen stromen. En weer werd het steeds rustiger in mij. Enkel trillen en de pijn herinnerden mij aan het voorval. Maar verder voelde ik me - gek genoeg - rustig en blij.

Mijn bewustzijn vulde zich met de realiteit: ik was tegen een paaltje gefietst. Mijn been was gelukkig niet gebroken, maar ik had wel ijs nodig om te koelen. Mijn fiets was kapot en het lopen van de Dam tot Damloop over een paar dagen kon ik waarschijnlijk wel vergeten.



Hoe had ik dit paaltje kunnen missen? Een moment van onaandachtig zijn? In mijn hoofd was ik tenslotte bij vorige week toen ik wel rechtsaf was gegaan. Of misschien mijn blinde en naïeve vertrouwen in mijn voorganger? Was ik maar voor haar gaan fietsen, ze is per slot veel groter dan ik. En waarom heeft ze verzuimd om te zeggen dat daar een paaltje stond? Dat roep je toch naar elkaar?!

Terwijl ik vroeger waarschijnlijk verschrikkelijk gefrustreerd zou zijn geweest over mijn eigen onoplettendheid, of over het vermeende onrecht dat mij was aangedaan, bleek ik nu mild te kunnen zijn. Shit happens… en Daniëlle voelde zich rotter dan ik. Mijn focus verlegde zich: hoe kan ik haar helpen? Ik stelde haar gerust en merkte hoe blij ik werd, toen bleek dat mijn houding haar hielp.

De enige op wie ik kon letten was ikzelf. Nu ik dat even niet had gedaan, was het zaak om goed voor mezelf te zorgen en aardig voor mezelf te zijn. Dat heb ik gedaan door me te richten op mijn ademhaling en de situatie te nemen zoals ie was, en later door meerdere malen per dag met ijs te koelen en met smeersels te smeren.

Laat ik door deze houding alsnog de Dam tot Damloop hebben kunnen lopen!